← Alle artikelen
Roy houdt twee camera's vast en introduceert zijn tip voor scherpere foto's
Beginscherm van Roys Reel

ROY LEERT · ARTIKEL

Welke sluitertijd bij 50 mm of 200 mm? De brandpuntsafstandsregel

Voorkom bewogen foto’s uit de hand. Roy legt de brandpuntsafstandsregel uit met eigen foto’s op 50 en 200 mm en laat zien wanneer je sneller moet fotograferen.

Welke sluitertijd kies je bij jouw brandpuntsafstand?

Fotografeer je uit de hand, dan is 1 gedeeld door je brandpuntsafstand een handig begin voor je sluitertijd. Bij 50 mm start je rond 1/50 seconde of sneller; bij 200 mm rond 1/200 seconde of sneller. Dat helpt tegen beweging van je camera. Beweegt je onderwerp ook, dan heb je vaak een snellere sluitertijd nodig.

In mijn Reel fotografeer ik geiten op 50 en 200 mm. De vier beelden hieronder laten zien wat een langere en kortere sluitertijd in die situatie doen. Gebruik ze als praktijkvoorbeeld, niet als laboratoriumtest: de dieren veranderden tussen de opnamen van houding en plek.

Waarom is een goed scherpgestelde foto toch onscherp?

Onscherpte kan drie verschillende oorzaken hebben. De camera kan tijdens de belichting bewegen, het onderwerp kan bewegen of de scherpstelling ligt op de verkeerde plek. Een snellere sluitertijd helpt bij de eerste twee oorzaken; bij de derde moet je je focus controleren.

Bij een lange brandpuntsafstand zie je een kleine camerabeweging sneller terug. Zoom daarom na een testfoto in op een oog, vacht of ander belangrijk detail. Kijk of het hele beeld bewogen is of vooral het onderwerp.

200 mm: vergelijk 1/50 met 1/500 seconde

Op 200 mm is 1/200 seconde het rekenkundige vertrekpunt tegen cameratrilling. In mijn Reel is de geit op 1/50 seconde zichtbaar vaag; bij 1/500 seconde zijn details duidelijker. Omdat een dier zelf kan bewegen, kies ik hier meer marge dan de vuistregel aangeeft.

De twee opnamen zijn illustraties van mijn werkwijze. De geit bleef niet op exact dezelfde plaats staan, dus schrijf het volledige verschil niet uitsluitend aan de sluitertijd toe. Probeer deze vergelijking ook zelf met een stilstaand onderwerp en een gelijk standpunt.

Voor en na: 200 mm met een langzame en snelle sluitertijd

200 mm · 1/50 sGeitje onscherp gefotografeerd op 200 mm met 1/50 seconde
200 mm · 1/500 sGeitje scherper gefotografeerd op 200 mm met 1/500 seconde

Twee opnamen van hetzelfde geitje uit de Reel. Op 1/50 seconde is het beeld vaag; op 1/500 seconde zijn meer details zichtbaar. De houding en uitsnede zijn niet identiek.

50 mm: waarom 1/30 seconde hier te langzaam was

Bij 50 mm kom je met de regel op ongeveer 1/50 seconde. De opname van de zwarte geit op 1/30 seconde oogt in de video minder scherp; op 1/125 seconde zie je duidelijker details. Ook hier levert een kortere belichting extra ruimte voor beweging van dier én fotograaf.

Heeft je camera geen 1/50 seconde, kies dan bijvoorbeeld 1/60 of sneller. Bekijk de foto ingezoomd en verhoog de snelheid verder als je nog beweging ziet. De passende waarde hangt af van hoe stevig je de camera houdt en hoe je onderwerp beweegt.

Voor en na: 50 mm bij 1/30 en 1/125 seconde

50 mm · 1/30 sZwarte geit onscherp gefotografeerd op 50 mm met 1/30 seconde
50 mm · 1/125 sZwarte geit scherper gefotografeerd op 50 mm met 1/125 seconde

Twee opnamen van de zwarte geit uit de Reel. De snellere sluitertijd laat in dit voorbeeld een duidelijker gezicht en vacht zien.

Zo gebruik je de regel tijdens een shoot

Lees de actuele millimeters op je zoomlens af. Kies minstens de overeenkomstige sluitertijd: 50 mm vraagt ongeveer 1/50 seconde, 200 mm ongeveer 1/200 seconde. Maak een proefbeeld en controleer het relevante detail ingezoomd. Bij een portret waar iemand lacht, loopt of zich omdraait, kies je vaak een kortere sluitertijd.

Wordt de foto daarmee te donker, open dan zo nodig je diafragma of verhoog je ISO. Let op de scherptediepte als je het diafragma opent. Zo los je een bewegingsprobleem op zonder een nieuw scherpstelprobleem te veroorzaken.

Wanneer is de vuistregel niet genoeg?

Beeldstabilisatie kan cameratrilling verminderen, maar bevriest geen bewegend onderwerp. Bij spelende kinderen, dansende gasten of dieren kan 1/500 seconde of sneller nodig zijn, afhankelijk van hun beweging. Een verkeerd gekozen scherpstelpunt lost geen enkele sluitertijd op.

Op een APS-C-camera geeft de kleinere beeldhoek bij dezelfde lens vaak aanleiding om extra marge te nemen. Ook de resolutie, stabilisatie, je houding en de gewenste afdrukgrootte beïnvloeden wat je als scherp ervaart. De formule is een beginpunt, geen garantie.

Oefening: vind jouw bruikbare sluitertijd

Zet een stilstaand voorwerp neer en fotografeer het uit de hand op 50 mm met 1/30, 1/60 en 1/125 seconde. Herhaal dit op 200 mm met 1/50, 1/250 en 1/500 seconde. Houd standpunt, scherpstelpunt en belichting zo gelijk mogelijk en bekijk de bestanden op 100%. Je ziet dan bij welke snelheid cameratrilling voor jou zichtbaar wordt.

Fotografeer daarna een bewegend onderwerp en vergelijk opnieuw. Als een stilstaand onderwerp scherp is en een bewegend onderwerp niet, helpt een nog kortere sluitertijd waarschijnlijk meer dan alleen stabilisatie. Controleer steeds ook waar de camera heeft scherpgesteld.

BEKIJK DE UITLEG

Zo ziet het eruit in de praktijk.

LEES VERDER

Bekijk het volgende blog.

Beginscherm van Roys Reel met de tekst Stop die duim in je broekzakWat doe je met de handen van een bruidegom op de foto?Een duim aan de broekzak oogt soms gemaakt. Zie hoe Roy met een kleine aanwijzing de handen en houding van een bruidegom natuurlijker fotografeert.Lees het artikel →
Meer artikelen